Return to site

Waarom het onderscheid tussen hoofd & handen onzin is

Iedere maand hebben we op kantoor een ‘boekenlunch’. Iemand kiest een boek, vertelt wat hij/zij eruit heeft gehaald, en eindigt met: aanrader om te lezen, ja of nee? In de maand februari was Josje Damsma (Directeur CrossOver) aan de beurt. Ze koos ‘The Craftsman’ van arbeidssocioloog Richard Sennett. (2009). Volgens velen het standaardwerk over ‘vakmanschap’.

Lees hieronder haar bevindingen over het boek:

Eerst doen, dan denken?

Omdat ik ooit gepromoveerd ben op NSB’ers in de Tweede Wereldoorlog, vond ik de opening van Sennett extra treffend. Hij gaat daarbij in op de maker van de atoombom: Oppenheimer. Wat is waarschijnlijker: Oppenheimer werkte aan de atoombom en dacht verder nooit na over de mogelijkheden of consequenties van zijn uitvinding – nooit één gedachte tijdens, tussendoor of na het werk? Of dat Oppenheimer wel degelijk nadacht tijdens het maken? (Wat zijn gedachten dan ook precies waren) Volgens Sennett is het niet waarschijnlijk dat Oppenheimer de atoombom maakte en daarna er eens goed over na ging denken. Tijdens het maakproces denken mensen, overleggen ze met elkaar. Dus het onderscheid tussen de ‘denkers’ en de ‘handjes’ is onzin. Maken = denken.

Onderscheid hoofd & handen is slecht

In zijn boek gaat Sennett uitgebreid in op het onderscheid tussen hoofd en handen, en waarom het slecht is om dit onderscheid scherp neer te zetten.

Techniek = slecht?

Richard Sennett is een leerling van filosofe Hannah Arendt. Zij leerde Sennett dat ‘mensen die dingen maken normaal gesproken niet begrijpen wat ze doen’. Deze boodschap bleef nog decennia in Sennetts hoofd nagalmen. Tegelijkertijd had Arendt en haar generatie van filosofen een negatieve lading aan technologie gegeven, immers had technologie geleid tot de Holocaust. Technologie was als de doos van Pandora: als je hem opende kon er ineens allemaal slechtheid uitkomen. Om de gevaren van technologische vooruitgang tegen te gaan zag Hannah Arendt het meedenken als oplossing. Technici moeten meedenken en meeslissen over technologische vooruitgang. En daar gaat Sennett een stap verder: Volgens hem is er helemaal geen onderscheid tussen het 'maakproces' en het 'denkproces', tussen de maker en de denker. Het onderscheid tussen maken en denken moet worden opgeheven Het klopt volgens hem niet dat vakmensen alleen de vraag stellen ‘hoe?’ en niet ook de vraag ‘waarom?’. Maken en denken, maken en praten gaan hand in hand.

Intieme connectie tussen hand en hoofd

Sennett ziet vakmanschap als een menselijke behoefte om een klus goed te doen, gewoon voor ‘its own sake’. Vakmanschap gaat over de ‘intieme connectie tussen hand en hoofd.’ In het hoofd van een goede vakman speelt een dialoog tussen concrete acties en denken, tussen het probleem opzoeken en het probleem oplossen.

Als je hoofd en hand scheidt, dan lijdt het hoofd.

Om vakmensen te laten floreren moet je ze laten meedenken én aanspreken op hun vakmanschap. Sennett beschrijft dat vakmensen in de huidige tijd op de verkeerde manier worden aangespoord om productief te zijn: ze worden veel gestuurd op competitie, en gaan daarbij voorbij aan een belangrijke drijfveer voor vakmensen: het inhoudelijk leveren van goed werk. (Dit haakt ook aan bij het probleem van een gebrek aan autonomie uit het WRR Rapport ‘het betere werk’) Vakmensen willen vaak gewoon goed werk afleveren, en daar ook trots en werkplezier uit halen. Als je vakmensen bovendien de mogelijkheid geeft tot discussie over de inhoud leidt dat tot betere werknemers en betere ideeën.

Vakmensen zijn leermeesters?

Om genoeg vakmensen nu en in de toekomst te hebben, is het belangrijk dat hun skills en kennis overgebracht worden. Nu is dit wel lastig bij vakmensen. Volgens Sennett blinken vakmensen in veel uit, maar niet in het uitleggen. Vakmensen zijn geen ‘woordmensen’. En kennisoverdracht is nog vaak gestoeld op tekst en woordelijke uitleg. Hierbij kaart Sennett vooral de problemen van kennisoverdracht door vakmensen aan, maar geeft weinig oplossingsmogelijkheden.

Bescheiden vakmensen

Vakmensen leren door te doen, en moeten daarom ook goed tegen falen kunnen. Door al dit falen ontwikkelen ze een zekere bescheidenheid. Daarom is het extra belangrijk om hen te waarderen, om hen mee te laten denken, en hen te eren. Ze willen gewaardeerd, gehoord worden om hun inhoud, op hun vakmanschap. Deze bescheidenheid zag ik vaker:

Afgelopen november organiseerden we een verkiezing om vakmensen te eren en te waarderen – de Slimste Handen van Nederland. Bij de Slimste Handen van Nederland verkiezing zagen we dat de prijswinnende vakmensen zo ver mogelijk achter op het podium gingen staan, in plaats van trots voorop.

Zou ik het boek aanraden? Niet als je praktische oplossingen zoekt om vakmensen mee te laten denken, wel voor inspiratie en een inhoudelijk pleidooi voor het meer waarderen van vakmanschap. Heb je een tip voor een boek over vakmanschap, over de waardering & het belang van vakmanschap? Dan hoort CrossOver het graag!

All Posts
×

Almost done…

We just sent you an email. Please click the link in the email to confirm your subscription!

OK